Geld uitlenen aan een gokverslaafde: vernietiging en onverschuldigde betaling.

Terwijl er in de pers veel aandacht is voor de strafzaak over de moord op Koen Everink, blijkt er intussen een civiele vordering van de erven en een vennootschap tegen de verdachte in rechte aanhangig te zijn. In een recent tussenvonnis oordeelt de rechtbank Midden Nederland over vorderingen tot terugbetaling van leningen aan de geldlener, die tevens de verdachte in de moordzaak is. Het tussenvonnis stelt twee civielrechtelijke aspecten aan de orde: misbruik van omstandigheden en onverschuldigde betaling.

Twee civielrechtelijke vragen trekken daarbij de aandacht:

  1. De mogelijkheid van vernietiging van de geldlening wegens misbruik van omstandigheden. 

  2. Wat er gebeurt na vernietiging: ontstaat er een vordering uit onverschuldigde betaling? 

Ad 1: de vernietiging wegens misbruik van omstandigheden.

De geldlener voerde met succes aan dat de geldlening vernietigbaar was omdat er sprake was van misbruik van omstandigheden. Dat beroep slaagde, maar de rechtbank oordeelde tegelijk dat er dan een vordering van de geldgever op de geldlener is uit onverschuldigde betaling. Het relevante artikel 44 lid 4 boek 3 BW luidt:

"Misbruik van omstandigheden is aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.”

De rechtbank volgt het verweer en oordeelt:

3.23.  om te kunnen spreken van bevorderen in de zin van artikel 3:44 lid 4 BW is het niet noodzakelijk dat de wederpartij (in dit geval [erflater] ) het initiatief neemt tot het sluiten van de overeenkomst of op een andere manier de ‘wilsvorming’ van de ander actief heeft beïnvloed. Het meewerken aan de totstandkoming van een overeenkomst levert al het bevorderen van die overeenkomst op. Aannemelijk is dat [gedaagde] [erflater] heeft gevraagd hem de bedragen te lenen, en dat [erflater] daarop bevestigend heeft geantwoord. Het is ook mogelijk dat [erflater] uit eigen beweging [gedaagde] heeft aangeboden bedragen aan hem te lenen. Voor beide gevallen geldt dat [erflater] het tot stand komen van de leningsovereenkomsten heeft bevorderd in de zin van artikel 3:44 lid 4 BW.

4.24.

Gezien de gokverslaving van [gedaagde] moet het voor [erflater] duidelijk zijn geweest dat [gedaagde] een groot deel van de hem ter beschikking staande financiële middelen, en met name ook de van [erflater] en Tunga Holding geleende bedragen, zou gebruiken om te gokken. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] in het verleden per saldo winst heeft behaald met gokken, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat gokken heel vaak leidt tot verlies. [erflater] moet dus ook hebben geweten dat er een aanzienlijke kans bestond dat [gedaagde] de geleende bedragen zou verliezen door ermee te gokken. Onder deze omstandigheden had [erflater] [gedaagde] moeten weerhouden van het sluiten van de leningsovereenkomsten.

4.25.

Aan de in 4.21 genoemde wettelijke voorwaarden voor vernietiging van de leningsovereenkomst [erflater] en de leningsovereenkomst Tunga Holding is dus voldaan. Vernietiging van een overeenkomst heeft terugwerkende kracht (artikel 3:53 lid 1 BW) en de overeenkomst wordt dan geacht nooit te hebben bestaan. De betalingen van [erflater] en Tunga Holding aan [gedaagde] hebben dan zonder rechtsgrond plaatsgevonden. [eiser 1] en [eiser 2] respectievelijk Tunga Holding kunnen in dat geval de door [erflater] en Tunga Holding aan [gedaagde] verstrekte bedragen terugvorderen op grond van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 lid 1 en 2 BW).

Stel nu dat een geldlener de gokverslaafde wel wil helpen, ook al weet de geldlener van de risico’s en de verslaving. Hij wil ook niet dat zijn vordering bloot staat aan vernietiging wegens misbruik van omstandigheden. Toch wil hij helpen door geld te lenen. Onder deze omstandigheden zal de uitlener gemakkelijk misbruik (kunnen) maken van de omstandigheid dat de geldlener verslaafd is, vooropgesteld dat hij van de verslaving weet. Loopt een goedwillende uitlener, gezien de redenering van de rechtbank, dan niet per definitie het onbedoelde risico dat de leningovereenkomst vernietigbaar is? 

Deze bewust in algemene termen gestelde vraag stelt aan de orde of een goedwillende geldgever er rekening mee moet houden of de gokverslaafde de gelden gebruiken zal om te vergokken. Vergokken, omdat gokken zoals de rechtbank overweegt, vaak leidt tot verlies van de inzet. Gokverslaving veroorzaakt immers een irrationele prikkel om door te gaan met gokken tot er geen geld meer is om te vergokken. Het geld is dan nutteloos besteed en daar moet de leninggever zich wel rekenschap van geven, zo lijkt het. 

Een oplossing zou kunnen zijn dat de geldgever de gelden bestemt voor specifieke doelen anders dan het gokken. Te denken valt aan rechtstreekse betaling aan schuldeisers, verhuurders of energieleveranciers. Het is maar de vraag of dit afdoende is, gezien de redenering van de rechtbank. Immers, met eenzelfde redenering zou kunnen worden betoogd dat met en door het betalen van vaste lasten reguliere inkomsten ‘vrijkomen’ om wel mee te gokken.

Ad 2. onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW)

Een tweede aspect is de vraag wat er gebeurt na de vernietiging wegens misbruik van omstandigheden. De rechtbank overweegt dat er door de vernietiging een vordering wegens onverschuldigde betaling ontstaat. Omdat het hier ging om een geldlening is de waarde van de onverschuldigde betaling eenvoudig te begroten op het ontvangen bedrag. Aldus moet de geldlener alsnog het bedrag terugbetalen dat hij ontvangen heeft. 

Lood om oud ijzer dus, zou men kunnen stellen. Dat is niet helemaal het geval. Een vordering uit onverschuldigde betaling trekt bijvoorbeeld niet een eventueel contractueel overeengekomen (hogere) rente, maar zal de (op dit moment erg lage) wettelijke rente dragen. De vordering gaat pas rente dragen nadat de schuldenaar in verzuim is, en daarvoor moet hij eerst in gebreke worden gesteld (tenzij hij te kwader trouw was).

De rechtbank gaat in haar uitspraak niet in op mogelijk bijzondere omstandigheden die, op grond van de redelijkheid en billijkheid, zouden maken dat het beroep op onverschuldigde betaling een vordering van de geldgever verhinderen. Denk aan de omstandigheid dat de geldgever vanaf het begin wist dat de geldlener niet zou kunnen terugbetalen.  
Dat redelijkheid en billijkheid wel een rol kunnen spelen volgt uit een uitspraak van de Hoge Raad uit 1991, die reeds onder het oude recht oordeelde dat redelijkheid en billijkheid ook de ongedaanmakingsverbintenis na vernietiging beheerst.

Er zijn tegelijk ook mogelijke nadelen voor de schuldenaar als hij vernietiging van de overeenkomst inroept, omdat hij dan geen beroep meer kan doen op de eventuele contractuele bepalingen die hem bijvoorbeeld in staat hadden gesteld het geleende bedrag in termijnen terug te betalen. Een vordering uit onverschuldigde betaling moet in beginsel direct en ineens worden voldaan.

Bron:
Rechtbank Midden-Nederland 13-09-2017  Zaaknummer C/16/432813 / HA ZA 17-175 ECLI:NL:RBMNE:2017:4634

 

 

Over de auteur

frits bienfait

FRITS BIENFAIT

Advocaat / partner

Adresgegevens

Kantooradres: 
Rivium Westlaan 46
2909 LD  Capelle aan den IJssel

Postadres: 
Postbus 4043
3006 AA  Rotterdam

+31 (0)10 - 288 8800
+31 (0)10 - 288 8828
mail@damkru.nl

KvK-nummer: 24466931
BTW-nummer: NL 005202280B01

 

Overige gegevens en route

Het kantoor ligt in het bedrijvenpark Rivium (naast de van Brienenoordbrug) te Capelle aan den IJssel. U kunt bij ons op onze eigen parkeerplaats parkeren. 

Routebeschrijving:

Routebeschrijving vanaf Utrecht
Routebeschrijving vanaf Zoetermeer
Routebeschrijving vanaf Breda
Per openbaar vervoer

Downloads

Nieuwsbrief

Stelt u gratis en vrijblijvend algemeen juridisch advies op prijs? Laat hier uw e-mailadres achter en ontvang de periodieke Van Dam & Kruidenier nieuwsbrief: 

Ongeldige invoer